TIPS OP EEN RIJ

  • Check verwachtingen van anderen: bepaal concreet met elkaar wat het resultaat moet zijn en hoe dat eruit moet zien.
  • Bepaal voor jezelf welk inspanningsniveau volstaat – Is het een taak waarbij 70% van jouw inzet voldoende is om het resultaat te halen? 70% van jouw inzet is soms vergelijkbaar met 100% inzet van anderen.
  • Maak resultaatafspraken met jezelf en spreek deadlines af. Houd een agenda bij waar je je aan houdt.
  • Stop af en toe en wees je bewust hoe je je voelt onder de mate van inspanning die je levert en hoe je omgeving dit ervaart.
  • Houd bewust tijd vrij voor leuke dingen naast je werk.
  • Besef dat jij je soms ook moet inspannen om je doelen te bereiken. Iedereen moet soms ergens hard voor werken, slim brein of niet.

Stop en kijk eens rond

Vraag dan aan jezelf: Wat voel ik en wat voelt de ander?

Dit doet Chris.

Chris heeft geleerd dat hij de neiging heeft om altijd door te rennen, de ene activiteit is nog niet klaar of hij zit al bij de volgende. Hij heeft zich inmiddels aangeleerd om af en toe heel bewust even te stoppen en om zich heen te kijken. Hij gaat dan bij zichzelf na wat hij voelt en probeert ook een inschatting te maken hoe de anderen om hem heen zich voelen. Dit helpt hem om beter in contact te staan met zichzelf en de mensen om hem heen.

“Door van tijd tot tijd bij mezelf en anderen stil te staan krijg ik in mijn werk dingen effectiever voor elkaar”.

Besef dat ook jij je moet inspannen

Juist omdat veel dingen je als hoogbegaafde zo makkelijk afgaan, is het een reality check als je beseft dat er ook zaken zijn waarvoor je je écht moet inspannen. Zaken waar je moe van wordt.

John heeft dit aan den lijve ondervonden. Zonder enige inspanning doorliep hij alle klassen op school. Zijn gedachte was: ‘een 5½ is genoeg, daarna heb ik tijd om kattenkwaad uit te halen’. Proefwerken leverde hij halverwege in, omdat hij wist dat de voldoende binnen was. Dan vond hij het niet zinvol de rest van het proefwerk ook te maken, tot irritatie van de leraar.

Deze strategie ging goed tot de 4e klas … hij bleef zitten en het lukte hem niet meer zonder inspanning de proefwerken te halen. Daarop besloot zijn vader dat John in de zomervakantie maar eens écht aan het werk moest, en wel bij het bedrijf waar vader zelf ook werkte. Wat John niet wist, was dat pa de voorman had ingelicht: Het werken had maar één doel, John móest en zou kruipend thuiskomen van het harde werken…

“Doorzettingsvermogen en inspanning waren geheel nieuw voor mij.”

Dat lukte: de voorman liet John enorm fysiek zware klussen doen en ’s avonds kwam hij gesloopt weer thuis. Pa deed er nog een schepje bovenop en stelde dat John de keus had: werken bij het asfalteerbedrijf óf terug naar school gaan en zich inzetten daar. Ook moest John zelf maar regelen dat hij terug mocht naar school. Als hij dat niet zou doen maar wel thuis wilde wonen moest hij huur gaan betalen.  John had zijn les geleerd en koos een school, maakte deze af en stroomde door naar een HBO studie. Met zijn nieuwe “werken is de moraal” instelling kwam hij daarna al snel terecht bij een bedrijf, dat hem een baan aanbood én een studie bedrijfskundige informatica financierde. Overdag werken en ’s avonds studeren werd het nieuwe stramien. Voor John werkt het goed dat hij werd uitgedaagd en zich hard kon inspannen.

 

Maak (resultaat)afspraken met jezelf

In zijn rol als manager heeft John een agenda met veel meetings. Dat helpt hem om zich niet te verliezen in inhoudelijke klussen die hij zó interessant vindt dat hij erin verzandt. Doordat John veel moet letten op de tijd, schakelt hij steeds weer terug naar de waan van de dag. Daarnaast stelt hij prioriteiten, hij steekt veel tijd in werk waar hij verantwoordelijk voor is. Voor die taken wil hij een perfect resultaat. Hij maakt strakke resultaatafspraken met zichzelf, om te voorkomen dat hij zijn aandacht richt op de leuke weg er naar toe. “Het zal mij niet gebeuren dat het niet afkomt” is een gedachte die John daarbij helpt. Als hij taken moet doen voor anderen, vraagt hij zich bewust af wat hij een ‘voldoende’ resultaat vindt. Vaak vindt de ander dat dan een ‘goed’ resultaat.

“Van te voren bepaal ik mijn deadlines voor die dag, kies ik bewust hoeveel tijd ik voor een activiteit heb en wat ik in die tijd moet leveren”

 Van nature is Eva een heel harde werker, ze geeft aan dat haar grenzen vervaagd zijn als het gaat om de balans tussen wat ze voor haar werk doet en wat voor een baas normaal is om te vragen. Ze identificeert zich met haar werk en ervaart een succes op het werk alsof dat ook iets over haar als persoon zegt. Voor haar helpt het om zich bewust te realiseren dat er andere dingen in het leven minstens zo belangrijk zijn en dat ze daar ook aandacht en tijd aan wil besteden. Ze zet heel bewust haar werk opzij om met haar vriend of andere vrienden tijd door te brengen en ontspannen samen koffie te drinken of te mountainbiken. Eva doet dit door (1) meer tijd in te plannen om een klus uit te voeren dan ze in eerste instantie inschat en (2) door naast haar werk andere activiteiten in te plannen. Ze zet deze activiteiten op papier voor zichzelf. Daarbij zet ze zich actief in om tijdig met haar baas en collega’s te sparren over planningen en concreet af te stemmen wie wat doet.

Eva spreekt zichzelf streng toe om zich te realiseren dat zaken niet mislopen als er af en toe wat geschoven wordt in de planning. Dit is vaak in haar hoofd een probleem maar niet in het echt. Ook stelt ze zich één deadline per dag, i.p.v. meerdere. Zo kan ze zich focussen en ophouden als ze hem gehaald heeft.

Check vooraf het gewenste eindresultaat

Het kan goed zijn dat jouw beeld van het eindresultaat, het werk dat wordt gevraagd of de projectuitkomst, complexer en veelomvattender is dan dat feitelijk zo is. Soms zijn je collega’s al tevreden terwijl jij voor je gevoel slechts de helft hebt geleverd van wat je eigenlijk wil leveren. Het helpt dan om vooraf samen te bespreken hoe het resultaat eruit moet komen te zien. Wanneer is het werk af?

Wendy doet dit door te luisteren naar haar omgeving en een 10-puntsschaal te gebruiken. Zij levert werk af dat voor haar gevoel een ‘5’ scoort, maar door anderen met een 10 wordt gewaardeerd. Het zorgt ervoor dat ze met geringe inspanning al genoeg kan bijdragen. Daarnaast heeft ze ontdekt dat collega’s alleen de schaal 1-10 kennen en niet weten dat er daarbuiten ook meer is. Ze voegt toe dat ze het werk zelf pas interessant vindt worden vanaf de 11. Pieter omschrijft dit als: “De wereld is vol middelmatigheid, dat is de norm: ik ben niet meer teleurgesteld als ik daarop stuit. Het maakt het voor mij veel gemakkelijker en meer ontspannen om wat toe te voegen”.

“Met een klein beetje inzet kan ik vaak al een waardevolle bijdrage leveren, dat geeft me voldoening”.

Als Willem moet presteren op het maximum van zijn kunnen, raakt de perfectionist in hem in paniek. Hij vreest dan dat zijn resultaten de toets der kritiek niet zullen doorstaan. Dat maakt hem onzeker, met als resultaat dat er  niks meer uit zijn handen komt. Daarom kiest hij ervoor om, naar zijn maatstaven, op 70% van zijn kunnen te presteren. In sporttermen is dat het inspanningsniveau waarmee je tijdens het sporten nog een gesprek met een medesporter kan voeren. In zijn werk is dit het niveau dat feitelijk van hem verlangd wordt.

Voor Willem helpt het ook om zich te realiseren dat werk slechts werk is. Het werk moet wel zijn plaats weten in zijn leven. Dat geldt ook voor Wendy en Pieter. Zij gebruiken een deel van hun energie en tijd om andere dingen te doen waar ze ook plezier aan beleven. Frans zegt: “Het is belangrijk om “formeel” te voldoen aan eisen of verwachtingen en ondertussen maximaal plezier en vrijheid te ervaren in het vinden van een manier (zowel in de innerlijke houding als in de uiterlijke uiting) die past bij jezelf”.